Logo Utrecht University

Economic and Social History Blog

34. De vrijmarkt en de opmars van het neo-liberalisme (27-4-2020)

De vrijmarkt en de opmars van het neo-liberalisme (27-4-2020)

Written by: Jan Luiten van Zanden

Als Nederlanders hun nationale feestdag vieren – Koningsdag op 27 april – dan dansen ze niet in de straten of drinken zich allemaal een stuk in hun kraag, of dineren urenlang met la familia – maar dan spelen ze koopman en ondernemer. Dat heet de vrijmarkt, en het werkt zo: elk gezin verzamelt de spullen die ze over hebben, bijvoorbeeld omdat de kinderen er te groot voor zijn geworden of de boeken gelezen zijn. Deze handelswaar wordt ergens in het centrum van stad of dorp uitgestald en daarmee ter verkoop aangeboden. Daartoe worden deze binnensteden autovrij verklaard voor de duur van het feest, en zit iedereen of op de grond of op meegebrachte stoelen bij zijn of haar waar deze aan te prijzen. De Nederlanders die geen zin hebben om hun oude spullen te verkopen, zijn de potentiele kopers. Jong en oud viert feest door zich te vermommen als koopman die zijn/haar koopjes aanprijst, onderhandelt over de prijs en probeert een extra zakcentje te verdienen. Het verdiende geld wordt vaak gebruikt om op dezelfde vrijmarkt dingen aan te schaffen die volgend jaar weer te klein, uitgelezen of te kinderachtig zullen zijn. De meer creatieve kinderen beuren geld met het spelen van blokfluit of viool, of verkopen zelfgebakken koekjes – de vrijmarkt is daarmee ook een broeinest van aanstormend ondernemerschap. De overige Nederlanders, die niet urenlang bij een kraampje willen zitten, sjokken in grote kuddes langs de stalletjes op zoek naar echte koopjes. Er circuleren heroïsche verhalen over het kopen van een ets van Rembrandt of authentiek Chinees porselein voor een ‘habbekrats’. Maar er is altijd de dreiging van het ongebonden wild-west kapitalisme: professionals proberen echt geld te verdienen aan de mensenmassa’s die de vrijmarkt op de been brengt door bier, saté, of andere waar op commerciele schaal aan te bieden. De overheid reguleert dit gebeuren door toezicht te houden op deze commerciële partijen, en speciale, aantrekkelijk stukjes binnenstad af te  grenzen voor kinderen met hun ouders.

Deze vrijmarkt als ultiem Nederlandse feest zegt iets over hoe diep commercie, kopen en verkopen, in de cultuur geworteld is. Zoals de naam vrijmarkt al aangeeft, is het Nederlandse ‘paradijs’ een vrije markt waar iedereen zijn gang kan gaan. Een beetje geld overhouden aan de vrijmarkt is belangrijk, maar minstens zo belangrijk is de ‘gezelligheid’ van het elkaar zo ontmoeten en met Jan en Alleman onderhandelen over de koopjes. Maar om de zwakken – met name de kinderen – te beschermen is de vrijmarkt toch gereguleerd door de gemeentelijke overheid, die ook toeziet op naleving ervan. En, minstens zo belangrijk, de negatieve ‘externalities’ bestrijdt door na afloop de enorme berg afval die wordt geproduceerd op te ruimen.

Deze gewoonte om van de nationale feestdag een ‘vrije markt’ te maken waar jong en oud handel kan drijven, is een tamelijk recent fenomeen, begonnen in Amsterdam rond 1970. Daarvoor was de nationale feestdag er een van parades en optochten. Het defilé langs Paleis Soestdijk waar de koninklijke familie toekeek hoe het volk zich uitgedost had, was de ‘top-parade’. Maar in elk dorp en in elke stad werd dit nog eens dunnetjes overgedaan. Ik herinner me dat we ons op het schoolplein verzamelden, verkleed in de meest creatieve uitrustingen want er waren ook prijzen mee te winnen. Na de prijsuitreiking begon de optocht en kwamen de kinderen van alle scholen op een strategisch kruispunt bij elkaar, waar we een lange optocht vormden die door hele dorp werd trok, gade geslagen door ouders en dorpsgenoten. Omdat we per school geordend waren, hadden de protestanten, de katholieken en de neutralen ieder een aparte deel van de optocht, en was elke zuil voor een ieder makkelijke herkenbaar. Maar vanaf 1970 kwam het vrijmarkt-model op – Amsterdam besloot in 1971 de in de buurten gegroeide vrijmarkten te accommoderen door deze naar het centrum te verplaatsen en te gaan reguleren, wat het begin van de ‘officiële’ vrijmarkt was. Dat idee was zo aantrekkelijk dat het parademodel, dat al niet meer zo goed in de ‘revolutionaire’, post-verzuilde tijdgeest paste, snel verdrongen werd. En het Amsterdamse idee verspreidde zich vervolgens over de rest van het land. Het punt is, de ‘neo-liberale’ viering van Koninginnedag, en later Koningsdag, is niet het gevolg van een keuze van de autoriteiten om de bakens eens te verzetten, maar, vrees ik, het gevolg van de populariteit van de vrije markt op grassroots niveau. En deze verschuiving deed zich al voor ver voordat de omslag naar neo-liberalisme onder Thatcher en Reagan plaatsvond – de opmars van het neoliberalisme begon eigenlijk in Amsterdam in 1971.

Blijft over de vraag waarom een natie zich op zijn meest feestelijke dag van het jaar vooral als koopman en ondernemer wil verkleden, en aan de kinderen wil laten zien hoe leuk dat is om met waar en geld te sjacheren. Heeft dat iets met eeuwenoude tradities van marktverkeer te maken, die in de genen zijn gaan zitten? Vinden we de markt stiekem leuk?

I apologize that I wrote the blog for and about our national holiday in Dutch.

Continue reading: Cumulative history or a debate without an end? (28-4-2020)